In Balans in de praktijk: balanceren tussen bereik en effectieve uitvoering
De erkende valpreventieve beweeginterventie ‘In Balans’ wordt inmiddels breed ingezet binnen de Ketenaanpak Valpreventie. In 87% van de gemeenten die zijn gestart met de inrichting van de ketenaanpak wordt In Balans aangeboden. Een mooie ontwikkeling.

Tegelijkertijd horen we uit de praktijk ook dilemma’s. Twee keer per week trainen kan voor sommige ouderen een drempel zijn om deel te nemen. Gemeenten ervaren daarnaast uitdagingen rondom onder andere de beschikbaarheid van aanbieders en financiering. De neiging kan dan ontstaan om In Balans aan te passen, bijvoorbeeld door één keer per week een groepstraining aan te bieden in plaats van twee keer.
Dat dilemma is begrijpelijk. Want wat heb je aan een effectieve interventie als ouderen niet deelnemen? Tegelijkertijd geldt ook de omgekeerde vraag: wat heb je aan een goed bereik als de interventie zo wordt aangepast dat belangrijke werkzame elementen verloren gaan? In deze blog gaan we in op dit spanningsveld en op de knoppen waaraan je als gemeente kunt draaien om een goede uitvoering te faciliteren.
Waarom de trainingsfrequentie ertoe doet
In Balans is ontwikkeld op basis van kennis uit wetenschappelijk onderzoek en sluit aan bij de wereldrichtlijn valpreventie. Zo weten we dat beweegprogramma’s die zich richten op het verbeteren van balans, spierkracht en mobiliteit het beste werken om de kans op een valongeval te verkleinen. Maar alleen de juiste oefeningen zijn niet voldoende: om effectief te zijn moeten de oefeningen ook voldoende intensief en vaak worden uitgevoerd De wereldrichtlijn beveelt aan om minimaal drie sessies per week uit te voeren, gedurende minimaal 12 weken. Ook is deskundige begeleiding van belang. In Balans combineert balansoefeningen en functioneel trainen met kracht en Tai Chi. Deelnemers doen dit twee keer per week onder begeleiding, gezamenlijk in een groep, en daarnaast één keer per week zelfstandig thuis. In Balans is een effectieve interventie die erkend is door de erkenningscommissie van het RIVM.
Om ervoor te zorgen dat In Balans daadwerkelijk bijdraagt aan het verminderen van valincidenten, is het dus belangrijk dat de interventie wordt uitgevoerd volgens protocol. Wanneer je bijvoorbeeld de trainingsfrequentie verlaagt van twee naar één groepstraining per week, sleutel je aan een van de kernelementen van de interventie en behaal je niet de gewenste effecten. Recent onderzoek naar In Balans onder 264 zelfstandig wonende ouderen met een verhoogd valrisico onderstreept het belang van therapietrouw en uitvoeringstrouw (Van Gameren et al., 2026). Hoewel in de In Balans-groep minder valincidenten en valletsels werden geregistreerd dan in de controlegroep, waren deze verschillen niet statistisch significant. De procesevaluatie geeft belangrijke aanknopingspunten om deze resultaten te begrijpen. Deelnemers volgden gemiddeld 15,5 van de 24 bijeenkomsten (65%) en noemen deze beperkte therapietrouw als een belangrijke mogelijke verklaring van de gevonden resultaten. De aanbeveling is daarom om bij de implementatie extra aandacht te besteden aan het uitvoeren en volgen van het programma volgens protocol.
Faciliteer uitvoering zoals bedoeld
In de praktijk kunnen verschillende knelpunten een goede opzet en uitvoering van In Balans in de weg staan. Denk aan ouderen die niet willen of kunnen deelnemen, onvoldoende beschikbare trainers, financiële belemmeringen of praktische problemen rondom locaties. Juist gemeenten hebben een belangrijke verantwoordelijkheid om de randvoorwaarden voor een goede uitvoering te creëren.
Zij hebben binnen de Ketenaanpak Valpreventie een belangrijke rol bij het organiseren en financieren van erkende valpreventieve beweeginterventies. Hiervoor zijn vanuit het Rijk middelen beschikbaar. Deze publieke middelen zijn bedoeld voor aanbod waarvan de kwaliteit en effectiviteit zijn onderbouwd. Bovendien stelt het AZWA als ambitie dat jaarlijks 3% van de thuiswonende 65-plussers met een vastgesteld verhoogd valrisico een erkende valpreventieve beweeginterventie volgt.
De opgave voor gemeenten is daarmee tweeledig: voldoende ouderen bereiken én zorgen dat het aanbod dat zij financieren en faciliteren zoveel mogelijk wordt uitgevoerd zoals bedoeld. Wanneer de uitvoering in de praktijk tegen knelpunten aanloopt, is aanpassen van de interventie niet vanzelfsprekend de eerste oplossing. Het is juist belangrijk om eerst te onderzoeken waar het knelpunt zit en welke randvoorwaarden de gemeente kan beïnvloeden.
Hoe ga je om met knelpunten in de uitvoering
Een belangrijk knelpunt is dat niet alle ouderen die voor In Balans in aanmerking komen, daadwerkelijk starten of het volledige programma afronden. Twee keer per week trainen in de groep én 1x zelfstandig thuis wordt daarbij soms als mogelijke drempel genoemd. In plaats van dit op te lossen door de trainingsfrequentie aan te passen, is het beter om uit te zoeken waar het daadwerkelijk misgaat. Ligt het aan de frequentie, of spelen bijvoorbeeld verwachtingen vooraf, planning, vervoer of de ervaren belasting een rol?
Ga daarom in gesprek met deelnemers én uitvoerders en kijk naar de ervaringen van gemeenten waar het lukt om In Balans twee keer per week aan te bieden. Vraag ouderen waarom zij wel of niet deelnemen en wat zij nodig hebben om het programma vol te houden. Zo kan het bijvoorbeeld helpen om vooraf duidelijk te maken wat deelname aan In Balans inhoudt en dat aanwezigheid bij de trainingen wordt verwacht. Ook kun je bij de groepsgrootte rekening houden met enige uitval.
Niet alleen de gemeente, maar ook de In Balans docent speelt een belangrijke rol om therapietrouw van deelnemers te verbeteren. In de vernieuwde scholing en materialen krijgen docenten daarom extra kennis en handvatten om deelnemers te motiveren, thuis oefenen te stimuleren en aandacht te besteden aan blijven bewegen na afloop. Ze leren bijvoorbeeld hoe ze kunnen stimuleren om thuis oefenen onderdeel te maken van dagelijkse routines, deelnemers zelf mee te laten denken over wat voor hen werkt en eventuele drempels tijdig bespreekbaar te maken.
Een tekort aan beschikbare geschoolde In Balans-docenten kan het lastig maken om het programma volledig aan te bieden. Bijvoorbeeld wanneer fysiotherapeuten onvoldoende tijd beschikbaar hebben om twee keer per week een groep te begeleiden. In dat geval is het belangrijk om de mogelijkheden voor het vergroten van de uitvoeringscapaciteit te onderzoeken, in plaats van de interventie zelf aan te passen.Denk bijvoorbeeld aan het opleiden en inzetten van andere professionals. De instroomeisen voor de opleiding tot In Balans-docent zijn inmiddels verbreed, waardoor een grotere groep professionals kan worden opgeleid en ingezet. Mogelijk zijn er bijvoorbeeld MBvO-docenten of andere beweegprofessionals die aan de opleidingseisen voldoen en kunnen worden opgeleid.
Ook samenwerking kan uitkomst bieden. Als één professional niet twee keer per week beschikbaar is, onderzoek dan bijvoorbeeld of twee opgeleide In Balans-docenten samen één groep kunnen begeleiden, waarbij ieder één van de twee wekelijkse trainingen verzorgt. Zo ligt de oplossing in een andere verdeling van de uitvoering, in plaats van in het aanpassen van de interventie.
Ook financiële en organisatorische knelpunten kunnen ertoe leiden dat In Balans in aangepaste vorm wordt aangeboden. Bijvoorbeeld omdat twee bijeenkomsten per week financieel lastig te organiseren zijn, een geschikte locatie niet twee keer per week beschikbaar is of omdat de planning bij aanbieder en deelnemers niet goed op elkaar aansluit.
Ga in zo'n situatie niet direct uit van de oplossing ‘dan bieden we In Balans één keer per week aan’, maar breng eerst samen met de aanbieder in kaart waar het knelpunt precies zit. Is vooral de inzet van professionals kostbaar? Is de locatie de beperkende factor? Zijn groepen moeilijk gevuld te krijgen? Of sluit het gekozen tijdstip onvoldoende aan bij deelnemers? Afhankelijk van de oorzaak kun je vervolgens zoeken naar een passende oplossing, bijvoorbeeld door afspraken over planning en locaties te herzien, groepen slimmer te organiseren of samen met aanbieders te kijken wat nodig is om de interventie volledig te kunnen uitvoeren. Denk daarbij dan ook aan de ondernemende sportaanbieders of verenigingen die kunnen voorzien in geschikte en beschikbare locaties.
In de praktijk leeft soms de overtuiging dat één keer per week trainen altijd beter is dan helemaal niet trainen. Dat is begrijpelijk, maar vraagt om nuance. Zoals eerder beschreven, vormen de trainingsfrequentie en de gerichte oefeningen samen belangrijke werkzame elementen van In Balans. Bij aanpassing daarvan kan nog steeds zinvol beweegaanbod overblijven, maar is geen sprake meer van de erkende interventie zoals die is ontwikkeld en opgenomen in de Ketenaanpak Valpreventie.
Het is belangrijk onderscheid te maken tussen algemeen lokaal beweegaanbod en de uitvoering van een erkende valpreventieve beweeginterventie. Als In Balans deel uitmaakt van de lokale Ketenaanpak Valpreventie, ligt er voor gemeenten een verantwoordelijkheid om bij financiering en opdrachtverlening de randvoorwaarden te creëren voor uitvoering volgens het protocol.
Na In Balans: zorg dat ouderen in beweging blijven
Een goede opzet en uitvoering van In Balans is belangrijk, maar daar stopt het niet. Na In Balans structureel blijven bewegen is essentieel om de valpreventieve effecten van de interventie te behouden. Doorverwijzing naar passend, structureel beweegaanbod is daarom een vast onderdeel van In Balans. Het is belangrijk om dit al vóór de start van een groep goed te organiseren, zodat deelnemers na afloop daadwerkelijk kunnen doorstromen naar lokaal aanbod dat bij hen past.
Een goede aansluiting op passend vervolgaanbod is daarmee onmisbaar voor een effectieve Ketenaanpak Valpreventie.
Aan de slag in jouw gemeente
Aan de slag in jouw gemeente
Bij het organiseren van In Balans kun je als gemeente op verschillende manieren bijdragen aan een goede uitvoering:
- Maak bij opdrachtverlening duidelijke afspraken over de uitvoering van In Balans. Zorg dat de opzet van de interventie, waaronder twee groepstrainingen per week en één keer thuis oefenen, ook mogelijk wordt gemaakt in de financiering en organisatie.
- Onderzoek waar knelpunten in deelname of uitvoering ontstaan. Valt de deelname tegen of lukt de uitvoering praktisch niet? Ga dan met deelnemers en aanbieders na wat de oorzaken zijn en welke randvoorwaarden de gemeente kan verbeteren.
- Kijk breed naar de beschikbare uitvoeringscapaciteit. Benut de verruimde instroomeisen, onderzoek welke professionals lokaal kunnen worden opgeleid en kijk naar samenwerking tussen In Balans-docenten wanneer capaciteit een knelpunt is.
- Organiseer de verbinding met structureel bewegen vanaf het begin. Zorg dat duidelijk is welk passend vervolgaanbod beschikbaar is en maak afspraken over de begeleiding van deelnemers daarnaartoe.
Ook interessant
Meer over onderwerpen:
Deel deze pagina
Meld je aan voor onze e-mail updates om op de hoogte te blijven.